Herken en respecteer regionale verschillen bij daken

Artikel delen

Nederland kent een grote verscheidenheid aan monumenten. Niet alleen als het gaat om het type gebouw, maar ook verschillen binnen een type. Zo is bijvoorbeeld niet elke boerderij overal in Nederland op dezelfde wijze gebouwd, maar kent kenmerkende regionale verschillen. De wijze waarop is gebouwd, heeft niet zelden een duidelijke relatie met de omgeving en de streek. Vuurtorens treft men niet aan in de Achterhoek. Boerderijen met waterzolders vind je alleen aan in het rivierengebied. Ook op het niveau van constructie en afwerking kunnen er regionale bouwtradities zijn waarvan het belangrijk is ze in stand te houden. We beperken ons hier tot enkele regionale verschillen bij daken.

Auteur: Willard van Reenen, bouwhistoricus en docent

Een pannendak dat wind- en sneeuwdicht gemaakt is met behulp van strodokken. Foto: W.G. van Reenen.

Met strodokken onder de pannen maakte men in het verleden een dakbedekking met Hollandse pannen doeltreffend wind- en sneeuwdicht. Het is een methode die tot in de 20e eeuw veel is toegepast op het platteland in Oost-Nederland en nu nog bij restauraties wordt toegepast. De strodokken werden vervaardigd van bosjes gezuiverd roggestro. Dit moet afkomstig zijn van met de hand gemaaide rogge. Stro van gekneusde rogge als gevolg van het maaien met een machine is niet bruikbaar, omdat er dan te veel vocht in de halm komt.

Goede afdichting

De handgemaaide en gezuiverde roggestro wordt tot een handdik bosje stro samengevoegd, dubbel gebogen en een kwartslag gedraaid tot een sterke kop. Vervolgens worden onder de kop enkele strohalmen rond het bosje aangetrokken en met een speciale knoop vastgezet. Daarna wordt de strodok op de gewenste lengte afgesneden. Bij het aanbrengen op het dak wordt het geknoopte bosje onder twee naast elkaar liggende dakpannen gelegd en aan de onderkant verdeeld, zodat alle aansluitingen goed gedicht worden. Direct na het aanbrengen steken de strodokken ongeveer 1,5 cm onder de pan uit en staan de pannen iets bol, maar na enkele weken zakken de pannen al weer in. Ongeveer twee jaar later zijn de strodokken aan de onderzijde ingeteerd en sluiten zij het dak goed af.

Nokafwerking rieten daken in stro, heide of zoden

Nokafwerking van zoden. Foto. K. Boeder.

De nokken van rieten daken kunnen op veel verschillende wijzen worden afgewerkt. De nu meest voorkomende afwerking is die in keramische vorsten. Maar er komen ook andere afwerkingen voor, zoals vorsten van hout, zink, dakleer of beton. Ook afwerkingen van stro, heide en zoden komen voor, maar die zijn zeldzaam. Nokafwerkingen van stro komen sporadisch nog voor in Oost-Nederland en de noordelijke helft van de Veluwe. Een nokafwerking van heide komt nog minder voor en is nog een enkele keer te zien in Twente en de Achterhoek. En een nokafwerking in zoden komt al helemaal zelden voor, alleen nog voor museale doeleinden, terwijl deze wijze van afwerken in het verleden veelvuldig voorkwam.

Nokafwerking van Heide. Foto. K. Boeder.

Nokafwerking leien daken met nokstenen

Nokstenen van natuursteen met rol. Foto K. Boeder.

In Nederland worden nokken van leiendaken bijna overal met lood afgedekt. In het zuiden komen echter ook gebakken nokvorsten voor. Een bijzonderheid is dat in Zeeland bij diverse gebouwen de nok is afgedekt door zware nokvorsten van ledesteen (bv. bij het stadhuis van Veere). Nokvorsten bij leiendaken zijn aan de bovenzijde vaak voorzien van een rol.

Nokafwerking van gebakken vorsten zonder rol. Foto W.G. van Reenen.

Nokafwerking van gebakken vorsten met rol. Foto K. Boeder.

Instandhouding monumenten

Nokafwerking van houten planken. Foto. K. Boeder.

Bovenstaande voorbeelden zijn met velen uit te breiden. Deze voorbeelden laten zien dat de regionale of plaatselijk bouwtraditie niet standaard is, per regio sterk kan verschillen en er vaak nog maar een fractie van over is (zie voorbeelden nokafwerking in stro, heide en zoden). Instandhouding van monumenten betekent ook rekening houden met de plaatselijke of regionale traditie in de keuze van materiaal en detaillering. Dat begint niet pas wanneer de restauratie begint, maar de bouwhistoricus dient hier al oog voor te hebben en dat te benoemen en te waarderen in bouwhistorische rapportages, zodat daar in de planvorming rekening mee gehouden wordt.