“We moeten meer ruimte voor bomen en groen maken in onze steden”

Dat het klimaat verandert, merken we steeds duidelijker. Bijvoorbeeld aan het steeds extremere weer, dat een typische uitingsvorm is van hoe het klimaat verandert. Daarvoor hoeven we niet ver over de grenzen te kijken, zoals met de overstromingen afgelopen herfst in Oostenrijk, Tsjechië en Polen. De gebouwde omgeving is daar niet alleen debet aan door het gebruik van materialen met een hoge CO2-footprint; de oplossing ligt er ook. Daarvan is Reinier van den Berg heilig overtuigd, zeker als het gaat om het meer gebruiken van biobased materialen en het plannen van meer groen in steden. De voormalige weerman van RTL 4 laat geen moment achterwege om Nederland te enthousiasmeren van de vele mogelijkheden om de gebouwde omgeving klimaatbestendig te maken.

Reinier van den Berg staat buitenshuis bij een waterpartij met een moderne woning op de achtergrond.

Reinier van den Berg, meteoroloog en klimaatexpert.

We kunnen er niet omheen, iedereen kent u als dé weerman van RTL 4. Maar dit jaar heeft u daarvan definitief afscheid genomen. Toch neemt de wereld geen afscheid van het weer en het klimaat. In hoeverre volgt u dit nog op de voet?
“Na 35 jaar bij RTL vond ik midden vorig jaar dat het genoeg was. Ik deed voor RTL 4 nog het weer in het weekend en door de week was ik druk als spreker in het land over weer en klimaat. En op deze manier werkte ik zomaar 7 dagen in de week. Hoe leuk dat werk ook is, het gezinsleven met kinderen en kleinkinderen geef ik nu meer ruimte. En hoewel ik inmiddels niet meer dagelijks op televisie ben, is mijn betrokkenheid bij weer en klimaat onveranderd groot. Sterker nog, ik kijk iedere dag nog naar de weerkaarten. Op het internet zijn dit soort gegevens volop te vinden, dus dat kan ik goed vanuit huis doen. En het blijft essentieel om aandacht te vragen voor de enorme uitdagingen op klimaatgebied, waar we als samenleving voor staan.”

Dan kunt u ongetwijfeld aangeven wat de trends zijn op klimaatgebied.
“Zeker, want het weer is een uitingsvorm van de toestand van het klimaat. En als we kijken naar vorig jaar, dan zijn we door een aantal grote weerrampen opnieuw met de neus op de feiten gedrukt. 2024 was het warmste jaar ooit gemeten wereldwijd, en ook in Nederland. En belangrijk voor het klimaatbeleid: 2024 was het eerste jaar dat de gemiddelde wereldwijde temperatuur 1,55 graden boven het pre-industriële gemiddelde is uitgekomen. Ik noem dat expliciet, omdat de klimaatwetenschappers hebben afgesproken dat we niet boven de 1,5 graden Celsius moeten uitkomen. En dat is in 2024 voor het eerst dus wel gebeurd. Het wil overigens niet betekenen dat we vanaf nu alleen maar boven de 1,5 graad opwarming blijven, want het kan dit jaar bijvoorbeeld weer onder die grens komen. Bijvoorbeeld omdat het natuurverschijnsel El Niño is omgeslagen naar La Niña, en dat brengt verkoeling met zich mee.

Maar de gevolgen zijn al zichtbaar door weersverschijnselen, zoals de overstromingen in Valencia en ook in Midden-Europa, de orkaan Helene in de VS, en de orkaan bij Mozambique vlak voor Kerst. Het laat zien dat het klimaat verandert. En helaas is het ook niet de vraag of we niet boven de 1,5 graad opwarming komen, maar wanneer we definitief er boven blijven.”

Welke gevolgen heeft dit alles voor de gebouwde omgeving?
“Een van de meest urgente problemen in de gebouwde omgeving is de behoefte aan betaalbaar wonen. Dat is helaas een behoorlijk gepolariseerd onderwerp, want het wordt steeds vaker gekoppeld aan asielzoekers en arbeidsmigranten. Zij moeten immers ook een plek krijgen, terwijl de grootste groep van buiten Nederland, de arbeidsmigranten, hard nodig zijn om het werk dat we, mede door vergrijzing, niet meer kunnen of willen doen, toch gedaan te krijgen. Tegelijkertijd moeten we niet uit het oog verliezen dat we een gezonde woonomgeving behouden. Ik hanteer daarbij de 3-30-300-regel: minimaal 3 bomen in het zicht, minstens 30% groen in de wijk en binnen 300 meter een park of ander groen gebied

Reinier van den Berg, meteoroloog en klimaatexpert, poseert in een landschap met zonnepanelen op de voorgrond.Daarnaast is het belangrijk dat we meer bouwen met biobased materialen, zoals hout, vlas, hennep, lisdodde, olifantsgras, bamboe en zelfs gerecycled katoen. En natuurlijk meer houtbouw. Neem mijn eigen huis, dat is geheel gebouwd van hout met biobased isolatiematerialen. Daardoor is in mijn woning een slordige 50 ton CO2 opgeslagen. Bovendien sluit je met deze vorm van bouwen veel CO2-uitstoot uit, omdat er geen cement, beton, staal en kunststof voor wordt gebruikt. Daar komt nog een voordeel bij voor meer gebruik van biobased materialen: het is lichter dan cement en beton. Dat is weer belangrijk voor de bestaande gebouwde omgeving, want als je daar wilt uitbreiden is optoppen een belangrijke trend. En dat gaat makkelijker of zelfs alleen maar met lichte materialen.

Er is nog een voordeel: gewassen voor biobased materialen kun je in Nederland heel makkelijk telen, dus het kan heel lokaal. We bouwden natuurlijk in het verre verleden al veel huizen met hout, maar in loop van de tijd kon dat niet meer omdat de bomen opraakten. Dus gingen we gebruik maken van het slib en het grind, dat via rivieren tot ons kwam en als grondstof voor bakstenen en cement gebruikt kon worden. Dat heeft anno nu een te hoge footprint. Biobased materialen kunnen heel goed geteeld worden door de agrariërs die nu hun veestapel langzaam maar zeker moeten inkrimpen. Als je die twee ontwikkelingen – duurzamer bouwen en een duurzame landbouw – aan elkaar koppelt, dan geef je boeren een nieuw verdienmodel en de bouw lokaal geteelde, duurzame bouwmaterialen. Ik kom dit jaar ook met een online video-serie over dit onderwerp, de Biobased Bouw Revolutie geheten. Daarmee hoop ik dat dit breder op de politiek agenda komt. Er zijn wel doelen gesteld door dit en het vorige kabinet: in 2030 moet minstens 30 procent van de nieuwbouwwoningen met minimaal 30 procent biobased materialen gerealiseerd worden. Dat is al heel snel, en er moet nog veel gedaan worden om die doelen te behalen.”

Nu heeft u een aantal jaren geleden een mooi boek geschreven, Bladgoud geheten, over de onschatbare waarde van bomen. Hoe past dat in uw pleidooi voor meer houtbouw en biobased materialengebruik?
“De kern van Bladgoud is dat bomen van onschatbare waarde zijn voor onze planeet en onze leefomgeving. Ze zuiveren de lucht, slaan CO2 op, bevorderen biodiversiteit en zorgen voor verkoeling in een opwarmend klimaat. We onderschatten vaak hoe cruciaal bomen zijn, niet alleen in natuurgebieden maar ook in stedelijke omgevingen. Mijn boek is een pleidooi om bomen beter te beschermen en meer te waarderen, zowel lokaal als wereldwijd.

Tegelijkertijd kunnen houtbouw en het behoud van bossen prima hand in hand gaan, mits het hout op een duurzame manier wordt gewonnen. Dat betekent dat we bossen op een verantwoorde manier moeten beheren, zodat het ecosysteem intact blijft en biodiversiteit niet wordt aangetast. Daarnaast pleit ik voor het gebruik van snelgroeiende houtsoorten, zoals Paulownia, en bijvoorbeeld ook bamboe, en hergebruik van oud hout. Het gaat om balans: bomen blijven behouden waar ze cruciaal zijn, en we gebruiken hout waar dat een duurzame oplossing biedt.”

 Wat kunnen we verder in de gebouwde omgeving doen om het klimaat te verbeteren?
“In de gebouwde omgeving ligt er een enorme kans. Groene daken en gevels zijn bijvoorbeeld niet alleen esthetisch, maar ook functioneel: ze isoleren gebouwen, verminderen hittestress en kunnen regenwater opvangen. Daarnaast moeten we ruimte maken voor meer bomen en planten in steden. Dit helpt tegen hittestress, verbetert de luchtkwaliteit en bevordert het welzijn van bewoners. Bovendien neemt de biodiversiteit toe.

Ik hoor hele interessante succesverhalen hoe stedenbouwers in Spanje steden als Madrid en Barcelona steeds klimaatbestendiger maken. Drukke verkeerspleinen worden omgetoverd tot groene paradijselijke woonwijken. En dat ze dat juist in Spanje doen is logisch, want zij moeten nog veel harder dan in Nederland vechten tegen het hitte-eiland effect. In de zomer is het in een stad als Madrid vrijwel onleefbaar aan het worden door dit effect. Daarom investeert men in Spanje heel veel, ook om bestand te zijn tegen de enorme regenbuien in de herfst en de winter. Mede daarom is het vorig jaar in Valencia zo mis gegaan: het achterland is zo dor geworden dat er geen boom meer staat. En dan wordt het regenwater niet meer vastgehouden, en dat zorgde voor overstroming naar lager gelegen gebieden.

Daarnaast is het zaak dat we in woningen beter kijken naar hoe we de warmte buiten kunnen houden in de zomer, dan dat we ons richten op hoe we het warm houden in de winter. Dankzij betere isolatie is dat laatste steeds minder moeilijk. De warmte buiten houden is door het gebruik van veel raampartijen een stuk lastiger. Dat moet je oplossen met slimme zonwering aan de buitenkant, dus niet binnenshuis. Ik ben er ook voorstander van om dit te laten subsidiëren; als je als overheid isolatie van woningen wel stimuleert, waarom dan ook niet zonwering? Want het blijft jammer dat we technologie zoals airco’s gebruiken – die overigens steeds efficiënter worden – terwijl we dat kunnen voorkomen door betere zonwering te gebruiken. En die modernere zonwering laat het daglicht beter door dan voorheen, maar houdt de warmte juist weg van de gevel en uit het huis.”

”De overheid zou zonwering moeten subsidiëren; als je wel isolatie van woningen stimuleert, waarom dan ook niet zonwering?”

Toch lijkt het me dat we in de gebouwde omgeving niet zonder slimme technologie kunnen, al was het maar om de netcongestie op te lossen.
“Dat is zeker een belangrijk aandachtspunt bij steeds meer lokaal opgewekte duurzame energie én gebruik van elektrische auto’s. Aan lokale energieopslag ontkomen we dan ook niet, maar ik zou nu nog niet aan thuisbatterijen willen denken. Die zijn nog relatief duur, al kan dat over 5 jaar zo maar anders zijn. Ik zou ook niet denken aan buurtbatterijen, maar juist aan batterijbuurten, en dan wel door het slim koppelen van accu’s van elektrische auto’s aan de stroomvraag in buurten. Denk aan 30 auto-accu’s voor 100 adressen.”

Ten slotte de hamvraag: hoe denkt u dat we wonen in 2030, en wellicht verder, 2040 bijvoorbeeld?
“Er zit een verschil tussen denken en hopen. Als ik 2040 mag pakken, dan denk ik dat we nog steeds dure woningen hebben. Ik denk ook dat de uitdagingen door de klimaatverandering nog groter zijn. Dus ik hoop dat we in de komende 15 jaar veel ‘natuurinclusiever’ gaan leven, bouwen en wonen dan nu het geval is, door volop te investeren in die 3/30/300-regel. En dat levert meer biodiversiteit op, met gezondere woningen en kantoren waardoor we ook minder zorgkosten hebben. Door te investeren in meer groen in de gebouwde omgeving zullen we dan hopelijk bestand zijn tegen wateroverlast en hittestress.”