Historische gelaagdheid in gebouwd erfgoed (2)

Gebouwd erfgoed – vaak beschermde monumenten – kent veelal een historische gelaagdheid. Die gelaagdheid ontstaat doordat in de loop van de tijd allerlei wijzigingen aan het gebouw zijn uitgevoerd. Bijvoorbeeld als gevolg van een veranderende bedrijfsvoering, schaalvergroting, technische vernieuwingen, mode, enz. Maar ook restauraties en herbestemmingen zorgen er voor dat er nieuwe lagen aan toegevoegd worden. In dit tweede artikel over het onderwerp ‘historische gelaagdheid’ een voorbeeld van gebouwen waar door een sterk doorgevoerde reconstruerende restauratie nauwelijks een historische gelaagdheid aanwezig is.

De St. Jorisdoelen in Gorinchem voor de restauratie van 1966. Foto: RCE, vervaardiger G. Th. Delemarre, objectnr. 51.202.

Auteur: Willard van Reenen, bouwhistoricus en docent

De historische gelaagdheid van een gebouw ontstaat wanneer in de loop van de tijd wijzigingen aan het gebouw worden uitgevoerd. Dat kunnen verbouwingen, renovaties of herbestemmingen zijn. Maar ook in het verleden uitgevoerde restauraties dragen bij aan de historische gelaagdheid van het gebouw. Ambachtslieden en gebruikers hebben hun sporen in meer of mindere mate achtergelaten door gebruik, (interne) verbouwingen en meegaan met de mode van de tijd door bijvoorbeeld kruisramen te vervangen door schuifvensters. Grosso modo kan gesteld worden dat over het algemeen geldt dat hoe ouder het gebouw, hoe groter de historische gelaagdheid is.

Ook zijn er gebouwen die nauwelijks of geen historische gelaagdheid hebben. Het kan zijn dat het om een relatief jong gebouw gaat waar nog geen of nauwelijks aanpassingen zijn gedaan en er nog net zo bij staan zoals ze oorspronkelijk zijn gebouwd. Denk bijvoorbeeld aan gebouwen uit de periode van de wederopbouw en Post 65. Het kan echter ook gaan om een oud gebouw waar met een restauratie de jongere tijdlagen geheel of grotendeels zijn weggepoetst door een sterk reconstruerende restauratie. Er ontstaat dan als het ware een steriel monument zonder historische gelaagdheid.

De St. Jorisdoelen in Gorinchem na de restauratie van 1966. Foto uit 2017. Foto: W.G. van Reenen.

Reconstruerende restauraties

Tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw was het een vrij gebruikelijke restauratieopvatting om terug te restaureren naar de eerste bouwfase. Hierdoor gingen jongere tijdlagen vaak verloren, al dan niet gedocumenteerd voordat het werd weggehaald. In binnensteden zijn tal van voorbeelden aan te wijzen waar in de vorige eeuw sterk reconstruerend is gerestaureerd. Zo zijn er nogal eens gebouwen uit de tijd van de Renaissance in de vorige eeuw terug gerestaureerd, bijvoorbeeld het gebouw van de St. Jorisdoelen in Gorinchem. Ook werd nogal eens herstel van oorlogsschade aangegrepen om dan tegelijkertijd reconstruerend te restaureren. Zo ben ik nu bijvoorbeeld bezig met een bouwhistorisch onderzoek naar een kerk in Tiel die veel te lijden heeft gehad van oorlogshandelingen in WOII en in de jaren 1947-’49 sterk reconstruerend is gerestaureerd, dus meer dan alleen herstel van oorlogsschade.

Raadhuis Ameide

Een ander voorbeeld van een reconstruerende restauratie is het oude raadhuis van Ameide. In 1958 is dit raadhuis door de ambachtsheer van Ameide voor een symbolisch bedrag verkocht aan de gemeente Ameide met als voorwaarde dat het raadhuis zou worden gerestaureerd en de gemeente dit na restauratie weer in gebruik zou nemen waarbij de vergaderzaal van de Gemeenteraad en/of de trouwzaal wederom in het oude stadhuis zullen ondergebracht worden. Vervolgens wordt het raadhuis in de jaren 1959-’61 gerestaureerd waarbij ook onderdelen en afwerkingen werden vervangen en teruggebracht zoals het er van origine eruit gezien zou hebben. De reconstruerende restauratie is echter niet-stijlzuiver uitgevoerd. Net als bij de genoemde St. Jorisdoelen zijn de schuiframen met grote roedenverdeling vervangen door schuiframen met een kleine roedenverdeling. Echter met de eerste bouwfase van 1589 voor de St. Jorisdoelen in Gorinchem en 1644 voor het raadhuis van Ameide bestonden er nog niet van zulk soort gebalanceerde schuiframen met wisseldorpel. En hoe waardeer je dan als bouwhistoricus zo’n restauratielaag die op onderdelen niet stijlzuiver blijkt te zijn uitgevoerd? Dat komt een volgende keer aan bod.

Charter van Venetië

In 1931 werd in Venetië op Europees niveau een congres over monumentenzorg gehouden. Bij die gelegenheid werd een handvest opgesteld dat beschreef waaraan de instandhouding van monumenten zou moeten voldoen. Pas in 1964 volgde een tweede congres, eveneens in Venetië. Tijdens die bijeenkomst werd de definitieve versie van het handvest vastgesteld. Dit document staat bekend als het ‘Charter van Venetië’. Belangrijke elementen voor het behoud van monumenten uit het charter zijn:

  • het 3e artikel: Het oogmerk van de conservering en restauratie van monumenten is ze als kunstwerk en als historisch document te behouden.
  • het 4e artikel: Het is essentieel voor de instandhouding van monumenten dat ze regelmatig worden onderhouden.

We kunnen hierin al duidelijk de aanzetten zien om monumenten te zien als een historisch document dat regelmatig onderhouden moet worden. Dus niet langer reconstruerende restauraties, waarbij jongere tijdlagen zondermeer worden afgepeld, maar meer consoliderende restauraties met aandacht voor jongere tijdlagen, bouwfaseringen en bouwsporen. Mogelijk dat de late vaststelling in 1964 er mede debet aan is dat er nog zo lang door werd gegaan met reconstruerend restaureren.