Een prefab schuur als loods op uw bedrijfsterrein: welke regels gelden er?

Voor veel ondernemers is extra opslag- of werkruimte geen luxe, maar pure noodzaak. Denk aan voorraad, machines, materiaalopslag, een werkplaats of een compacte logistieke ruimte op eigen terrein. Juist dan kan een oplossing van Snelbouwloods interessant zijn: snel geplaatst, efficiënt in gebruik en vaak flexibeler dan traditionele nieuwbouw.

Wie zakelijk zoekt naar een prefab schuur als loods, moet alleen niet naar het bouwwerk zelf kijken. Juridisch draait het namelijk vooral om drie vragen: mag het op deze locatie, voldoet het gebouw aan de technische eisen en past het voorgenomen gebruik binnen de regels voor brandveiligheid en milieu? Sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 lopen die controles via het Omgevingsloket en via regels uit onder meer het omgevingsplan, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Een prefab schuur is zakelijk gezien niet “zomaar een schuur”

Op een bedrijfsterrein wordt een prefab schuur meestal beoordeeld als bedrijfsgebouw, opslagruimte, werkplaats of industriefunctie. Met andere woorden: niet de benaming “schuur” is doorslaggevend, maar de functie, afmetingen, locatie en het feitelijke gebruik. De gemeente kijkt in het omgevingsplan of op die plek bedrijfsbebouwing is toegestaan en welke maatvoering geldt, zoals bouwhoogte, oppervlakte en positionering op het perceel. Ook welstandseisen kunnen nog een rol spelen, afhankelijk van de gemeente en de locatie.

Dat maakt de eerste stap meteen duidelijk: controleer altijd eerst het omgevingsplan van de gemeente. Daarin staat wat er op het terrein mag gebeuren en of er aanvullende regels of een vergunningplicht gelden. Gemeenten kunnen in hun omgevingsplan namelijk eigen algemene regels, een meldingsplicht of een vergunningplicht opnemen voor activiteiten.

Past de loods binnen het omgevingsplan?

De belangrijkste vraag is of het plaatsen en gebruiken van de prefab schuur als loods past binnen de bestemming en regels van het perceel. Is het plan in overeenstemming met het omgevingsplan, dan blijft de procedure meestal overzichtelijker. Is het plan ermee in strijd, dan is sprake van een zogeheten buitenplanse omgevingsplanactiviteit en mag u die niet zonder omgevingsvergunning uitvoeren.

In de praktijk moet u daarom onder meer letten op:

  • of bedrijfsbebouwing op die locatie is toegestaan;
  • welke maximale goot- of bouwhoogte geldt;
  • welk deel van het terrein bebouwd mag worden;
  • of er eisen gelden voor afstand tot perceelsgrenzen of openbare ruimte;
  • of parkeren, laden en lossen of verkeersbewegingen invloed hebben op de beoordeling.

Vergunning of bouwmelding?

Onder de Omgevingswet moet u onderscheid maken tussen de omgevingsplanactiviteit en de technische bouwactiviteit. Dat zijn twee verschillende toetsen. De gemeente beoordeelt bij de omgevingsplanactiviteit of het plan qua uiterlijk, afmetingen en gebruik op de locatie past. Daarnaast geldt voor het bouwen zelf de technische toets uit het Bbl.

Voor kleinere bedrijfspanden kan het zijn dat geen technische vergunning nodig is, maar een bouwmelding. IPLO geeft aan dat voor bedrijfspanden in gevolgklasse 1 een bouwmelding geldt. Daaronder vallen onder meer bouwwerken met een industriefunctie van maximaal twee bouwlagen, inclusief nevenfuncties zoals kantoor of kantine. Die uitzondering geldt echter niet als voor het gebruik een vergunning voor een milieubelastende activiteit nodig is, of als voor het gebruik een vergunning of melding brandveilig gebruik nodig is.

Belangrijk detail: een bouwmelding moet uiterlijk vier weken voor de start van de bouw worden gedaan. Bij gevolgklasse 1 controleert een kwaliteitsborger de technische bouwactiviteit; er is dan geen preventieve technische vergunningstoets zoals vroeger.